Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze twijfel slaat ook nog op een tweede document, dat door de sowjetregeering den 29 Juni 1923 telegrafisch als verklaring van den patriarch gepubliceerd werd en dat den merkwaardig onkerkelijken stijl nog sterker vertoont: „Gedurende mijn preventieve hechtenis onderging ik geenerlei beperkingen, behalve het verbod, godsdienstoefeningen te houden. Mededeelingen van de buitenlandsche pers, dat ik gepijnigd werd, zijn dwaas. Ik ben uitstekend behandeld. Ik heb geheel het sowjetprogram erkend en ben van meening, dat de kerk niet-politiek moet zijn. Zouden de berichten blijken waar te zijn, dat de hiërarchen, die zich in het buitenland bevinden, zich ophouden met anti-revolutionaire handelingen, dan hoop ik, dat ze dit zullen beschouwen als onvereenigbaar met hun geestelijk ambt en zulks zullen nalaten. Ik neem aan, dat zij naar mij zullen luisteren."

Bijna gelijktijdig met de onderwerping van den patriarch begon het ondergeschikt maken der afgescheiden kerken. Allereerst hadden natuurlijk de revolutionaire kerken vrede met de sowjetregeering gesloten, die zelfs ambtelijk gezegend en in de bijzondere voorbede van alle geloovigen aanbevolen. (Concilie van 1923 en 1924) waarbij ze niet nalieten, ook hun zusterkerken zeer scherp wegens vermeende tegenrevolutie aan te vallen; dit standpunt bevestigden zij daarop in de derde synode van 1925: „De orthodoxe kerk, met de heilige synode aan het hoofd, is een religieuze organisatie, die het recht der sociale revolutie billijkt en de noodzakelijkheid erkent, zich tegenover de sowjetmacht onvoorwaardelijk loyaal

te gedragen ; deze leus heeft onze kerk niet alleen aangeheven.

maar ook iri alle voorbijgegane jaren verwezenlijkt ; het concilie

heeft met de contra-revolutie absoluut gebroken en roept alle

waarachtig geloovigen eens en voor goed op, aan de sowjetmacht onderdanig te zijn "

Een dergelijke onderwerpingsclausule onderteekende verder ook de tweede Russisch-orthodoxe afgescheiden kerk, het „kleine concilie der bisschoppen": „De derde plicht van onzen provisorischen hoogsten raad" bestaat daarin, de fouten der voorgaande kerkelijke leiders weer goed te maken en tusschen de kerk en de burgerlijke macht vreedzame, gewenschte betrekkingen aan te knoopen" (legaliseering van deze betrekkingen den 2en Januari 1926).

Tenslotte boog ook de laatste, de z.g. Tychon-hiërarchie. De patriarch zelf was in het jaar 1925 gestorven (het bericht van zijn moord is mogelijk overdreven) en de kerk, die nu geheel zonder leider was, putte zich eerst uit in vruchtelooze pogingen, tenminste een bestuurder o( plaatsvervanger aangewezen te zien. In den loop van deze legahseeringsonderhandelingen werd het publiek plotseling verrast door den zendbrief van 16—29 Juli 1927 (Europeesche

Sluiten