is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jezus verschijnt ook niet aan iedereen, maar alleen aan hen, die in Hem gelooven, dat wil dus zeggen: alleen aan hen, die vatbaar zijn om Hem als levend te herkennen, en uit dat zien van Hem dan de gevolgtrekking zullen maken, dat Hij bij God leeft, dat Hij machtiger is dan de dood, en in staat is als Verlosser degenen, die in Hem gelooven, te bevrijden van de macht der zonde en des doods en hen te brengen tot den Vader.

Dat is dan ook het geloof der christelijke kerk geworden. 'Wij gelooven niet maar in een gekruisigden en gestorven Verlosser, doch in een Verlosser, die gekruisigd én verrezen is. De kruisiging en dood van den Heer hadden alle hoop en verwachting der discipelen stukgeslagen. Alles scheen voorbij en verloren, alles scheen een groote, vreeselijke vergissing te zijn. Maar toen verrees hun Heer en vertoonde zich levend aan hen, en dat maakte met één slag alles goed. Hun hoop en verwachting waren gegrond geweest, hun geloof werd bevestigd, zij hadden zich niet in Hem vergist, Hij was werkelijk de Verlosser en zijn einde was geen nederlaag, maar een goddelijke overwinning, want zelfs de dood, het sterkste wapen der zonde, kon Hem niet in zijn macht houden.

Daarom prediken de Apostelen een gekruisigden èn verrezen Christus, want zij prediken geen dood maar het leven, geen nederlaag maar een overwinning. De dood heeft geen macht meer, en daarmede is de zonde van haar sterkste wapen beroofd. Door de verrijzenis van zijn Zoon heeft God de discipelen overtuigd, dat Hij wel werkelijk de menschheid met zich had verzoend door het offer van zijn Zoon.

Zoo is de verrijzenis van Jezus Christus het voornaamste bewijs geworden voor zijn zending en goddelijkheid en voor zijn volbracht verlossingswerk, waarmede het christelijk geloof staat of valt.1)

En met zijn verrijzenis begint iets nieuws. De vernedering, die in zijn menschwording lag, wordt nu verheerlijking; God heeft Hem nu ten hoogste verheven en Hem een naam gegeven die boven alle namen is, n.1. den naam „Heer".2)

<) Mt 12:39. 40, Joh. 2:18—21, 1 Kor. 15:14. 2) Hand. 2:36, Ffl. 2: 9, 11, Rom. 1 : 4, Hebr. 2 : 9.