Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verrijzenis is de afsluiting van het verlossingswerk. „Gekruisigd en verrezen" behoort bij elkaar; en daarom ook het resultaat, dat daaruit voortvloeit, n.1. zondenvergeving en heiliging der menschheid, verzoening en verlossing, schulddelging en rechtvaardigmaking, gelijk het Nieuwe Testament herhaaldelijk zegt, bijv. „Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking."1)

En aangezien de verrijzenis het bewijs is, dat de dood Hem niet houden kon,2) hebben wij in zijn verrijzenis den waarborg voor onze verrijzenis. Christus heeft den dood teniet gedaan en leven en onbederfelijkheid aan het licht gebracht; daarom noemt Hij zich „de verrijzenis en het leven"; wie in Hem gelooft, zal leven, ook als hij gestorven is.8)

Dat is de „kracht der verrijzenis".4) Daarom roept de Apostel ons toe: „Wees gedachtig, dat Jezus Christus uit de dooden is opgestaan."8) En daarom ook zingt de kerk nog altijd op den Paaschdag in haar Dankzegging (Praefatie): „Christus, ons Paaschlam. is geslacht. Want Hij is het ware Lam, dat wegneemt de zonden der wereld, dat door zijn sterven den dood vernietigd en door zijn verrijzen het leven hersteld heeft."

Den verrezen Christus heeft God ten hoogste verheven tot „Heer over alles".6) Hiervan worden wij verzekerd door de hemelvaart van Jezus Christus, welk feit beschreven wordt in Lukas 24 : 50—52 en Hand. 1 :9—12, en voorts tallooze malen wordt vermeld met de bijvoeging, dat de Heer nu „gezeten is aan de rechterhand Gods".7)

De hemelvaart van Jezus Christus is het ophouden van de zichtbare verschijning zijner verheerlijkte persoonlijkheid in

') Rom. 4:25, 5:15—19. 6:3—11, 2 Kor. 5:15. 2) Hond. 2 : 24, Rom. 6:9.

») 2 Tko. 1 :10, Joh. 11:25, Rom. 8:11, 1 Kor. 6: 14, 15:12—23.

55—57, 2 Kor. 4:14, F1L 3:21, Kol 1:18, 1 Tbess. 4:13. 14.

1 Petr. 1 :3, 4, enz. *) Ffl. 3 : 10. ») 2 Tm». 2 :8.

*) Hand. 10:36, 1 Kor. 15:24—28. Ei. 1:22, Ffl. 2:9—11.

») Mk. 16 :19. Hand. 7 : 55, 56, Rom. 8:34, Et 1: 20, 21, 2:6, 4 :10,

Ffl. 2:9—11, 1 Tb*. 3:16 Hebr. 2:9, 4:14, 9:24, 12:2 1 Petr.

3:22, enz.

Sluiten