is toegevoegd aan uw favorieten.

Democratische vrijheid en socialistisch recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blz.

te kunnen overgaan tot handelen op moreelèn grondslag 87—40

8. De beschouwingen van de leidende socialistische figuren waren in de kern nimmer relativistisch. Ook het historisch-materialisme, bekeken in samenhang met de theorie van den natuurnoodzakelijken ontwikkelingsgang, is geen relativistische theorie 40—44

4. De relativisten zelf blijken vaak, zoodra zij zich uiten over de maatschappelijke verhoudingen, en in het bijzonder ook over staatsrechtelijke vraagstukken, dan niet relativistisch te denken 44—47

5. Het relativisme kan geen socialistische theorie zijn; waar het relativisme indringt, verdwijnt

in zooverre de socialistische kracht . . . 47—48

6. Het relativisme gaf een bepaalde oplossing van het vrijheidsprobleem in de moderne democratie; welke moet, indien het relativisme wordt verworpen, de oplossing zijn? 48—50

§ 2. Welke eischen worden door de socialisten als eischen eener objectieve gerechtigheid beschouwd? De beide natuurrechtelijke grondbeginselen. 50—73

1. Het historisch-materialisme kan de fundamenteele socialistische rechtsbeginselen, wat betreft hun oorsprong en hun moreele kracht, niet verklaren 51—54

2. De eisch, dat ieder mensch moet strijden voor de ontwikkeling en ontplooiing van elk der menschen en van de menschheid in haar geheel, en de eisch van de gelijkheid, die beteekent, dat de mogelijkheid tot deelname aan deze ontwikkeling en ontplooiing in zoo gelijk mogelijke mate over de individuen moet worden verdeeld, vormen tezamen den grondslag van het geheel der socialistische rechtseischen . . 55—58