is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indeden bij, ja op laten gaan in de geschiedenis-wetenschap. Iets van de moeihjkheid van groepeering en hierbij ook iets van den eisch van samenhang heeft hij gevoeld in zijn critiek op de faculteitsindeeling. Maar ook hier neemt hij de natuurwetenschap niet op in de te groepeeren stof en komt tot een philosophische facultdt (welk een naam voor Harnack!) van ongehoorden omvang, en tot een knippen van zijn geliefde geschiedenis in perioden, die ieder een facultdt beheerschen. (N. B.!)*).

Wel moeten we zeer veel lof hebben voor zijn handhaven, zij het aarzelend, van het wetenschappelijk karakter van de „Anschauung" van het organische. Daar is veel van wat Harnack zegt over het leven, over den bestaansvorm van elk individu, over de parallel tusschen de verschijnselen in den kosmos en in den mensch, dat toejuiching verdient. Dat het verstand een congeniale functie is voor het gebied van het mechanisch-causale, de „Geist" voor het „Schauen" van den „Geist", is een poging in de juiste richting *).

Maar dan retireert hij weer, door te spreken van „Auch-Wissenschaft", een overgang, die bij gebrek aan eenheid tusschen „Natur" en „Geist" moeilijk te plaatsen is. „Der Geist schwebt da als abstracte naturlose Freihdt über dem Chaos der natürhchen Gefühle und Begehrungen, wobd freilich unbegreifhch bldbt wie er es vermöge, diese zu beherrschen und zu ordnen". Dit woord van Pfleiderer is, mutatis mutandis, ook van toepassing op Harnacks ordening van „das Wirkliche" 8). En eveneens door de hoogste wetenschap tevens een minder zuivere wetenschap te noemen, immers aan te vullen met „Lebensweishdt". Hij is van den ban der alleenheers diende natuurwetenschap niet verlost; zijn „natuurverlossing" is eigenlijk natuurvrees. Aangeduid heeft hij het, niet duidehjk uitgesproken, dat alle wetenschap bedoelt door te dringen tot het wezen, tot den zin der verschijnselen, tot de bestemming der dingen. Want daar is voor noodig een ander standpunt dan dat van Harnack4).

») Zie deel L p. 75.

») Hij had verder moeten gaan en den mensch met al zijn functies, dus ook met zijn geloof, als subject van de wetenschap moeten nemen; cf. Woltjer, za. p. 239 v. 241.

») O. Pfleiderer, „Die Ritschlsche Theologie kritisch beleuchtet"; Braunschweig, 1891, p. 79.

«) Zie Bavinck, Christelijke Wetenschap. Kampen, 1904, p. 47 v.v.

11