is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen gelach, geen feesten, bidden en vasten op den Zondag." *) Van de leer van Jezus, „die de eerste proef van zijn wonderkracht besteedde om den wijn op een bruiloft te vermeerderen,"3) begrepen Calvijn en zijn volgelingen niets. *)

Tot die volgelingen behoorden niet alleen de eenvoudigen. Ook „de aristocraten en edelen," zoo klaagt Halbertsma, „zijn in ons land thans fijn, evenals de turfschippers en hunne vrouwen. De laatsten bedriegen u in de turf en de eerste met hunne goudene woorden en schoone beloften.... Zo nemen ze uit de leer van Jezus i ° de genade en het geloof zonder de werken en dat noemen ze de weg eng maken, i° zwevende of ongerijmde leerstukken, daar men in om dwepen en de vrouwtjes door roeren kan."4)

Hoe Halbertsma over hun „werken" dacht, leert ons eveneens niet onduidelijk de volgende passage: „de zetels van de beurs en van het hof stinken van die orthodoxie, die niets erkent dan de genade en dat hebben ze ook noodig. Met de werken kunnen ze er niet komen. Geloof en een vrouw dehors. Ziedaar alles."5) Tot de „zwevende en ongerijmde", of, zooals hij ze elders noemt, „Onzinnige" leerstukken rekende hij in 't bijzonder de

*) MS. 166, bl. 85. 9) ld., bl. 85.

*) Dat Halbertsma Calvijn verkeerd beoordeelt, blijke uit diens woorden:

„Tanto igitur magis sobrietatem colere debemus, et licet Deus vinum crearit, ut exhilaretur cor hominis, sicut ait in Psalmis propheta. Tanta enim est ipsius erga genus humanum liberalitas ut non tantum quae ad corpus alendum sufficiunt, sed etiam quae ad abundantiam et iucunditatem faciunt, nobis suppeditet, quemadmodum vinum datum est non tantum ad cor humanum sustentandum, sed etiam ad illud exhilarandum". Joannis Calvini opera exegetica et homiletica, vol. VIII, ed. Cunitz, Reuss-Lobstein, I Liber Samuel, cap. XXV, p. 56$.

Zie ook: Emile Doumergue: Le caractère de Calvin*, Neuilly 1931, p. 103—1)07.

4) MS. 166, bl. 116.

B) ld., bl. 201.