is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo is de puberteit het physisch rijpingsproces, waarbij het' kind de ontwikkeling begint tot een zelfstandig individu. Het zal zich steeds meer los maken van zijn ouders en bij andere cultuurverhoudingen, bij primitieve volken vrij spoedig, zou het weldra zijn eigen weg gaan.

Met dit physisch rijpingsproces gaat het psychische gepaard. Er komt bij het individu een streven om zich vrij te maken, zelfstandig te denken en te handelen. Het groote kind bemerkt, dat het wieken heeft; het slaat er mee, en meent te kunnen vliegen. Het heeft ontdekt, dat er een wereld is, waarvan het een zelfstandig deel uitmaakt, doch het weet niet hoe. Het voelt vaag, dat het tot een andere generatie behoort dan zijn ouders, het is een deel van de toekomst, zij van het verleden. Het wringt en wrikt om los te komen en weet toch, dat het gebonden is. In zijn gelaatsuitdrukking is de jongen half baby, half man, in zijn gemoed is beurtelings een hunkerend verlangen naar koestering en een wilde veroveringswil. Plotseling heeft hij ontdekt, dat zijn uiterlijk de moeite der verzorging waard is. Het elegante jongetje heeft tot zijn 12de of 13de jaar nooit naar zijn kleeren gekeken, de leelijke uit alle maten en vormen gegroeide puber strikt met de meeste zorg voor den spiegel zijn das.

Uit het gemoedsleven is de rust verdwenen; de jeugd zoekt en vindt niet; ze probeert en experimenteert en als het doel bereikt wordt, blijft ze onbevredigd. Ze is hoekig en nukkig tegen de omgeving, ze criticeert en zoekt tegenstand. De ouders en leeraren hebben het natuurlijk op haar voorzien, zoekt haar het leven zuur te maken. Ze weten ten slotte ook zoo weinig van haar af en kennen zoo weinig haar behoeften. Hoe zouden ze ook. Ze zijn immers oud. Vroeger was, wat zij willen, misschien wel goed, maar nu niet meer; in dezen tijd moet je geheel anders zijn. En zoo zoekt ze steeds weer naar uitersten. Dit doet ze zelfs in de taal. Bij de meisjes onzer middelbare scholen is. alles „zalig" of „zielig^ bij de jongens was vroeger alles „oer" of „rot", later „haai" of „knudde".

Voor den opvoeder breekt een moeilijke tijd aan. De jeugd leert groote levensmysteriën half kennen, half vermoeden. Ze voelt plotseling, dat ze daarover met ouders niet vrij kan spreken; ze sluit zich in zich zelf op en toont zich naar buiten kort af in haar uitingen, weinig toeschietelijk, opstandig en meermalen onhebbelijk. Ze weet onhebbelijk te zijn en is het toch, ze heeft spijt, doch houdt zich groot en toont dit niet. Over sexueele vragen spreken de jongens, hun half weten omsluierd, graag met hun kornuiten. Ze maken er niet zelden toespelingen