is toegevoegd aan uw favorieten.

Egmond-verhalen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„We zijn met z'n vijftienen", waarschuwt de burggraaf van Utrecht, zoo bescheiden als hij kan. „Het moge u wel bekomen", wenscht de abt hun toe, effenaf. En zonder eenig teeken van vijandschap of vriendschap wendt hij zich om en gaat heen.

Langs de steenen wenteltrap in den lagen ronden toren tegenover het poorthuis komt abt Steven in z'n kamer. Hij is in gedachten verdiept. Toch ziet hij wel de twee duiven, die zich op het kozijn van een der beide kruisvensters zitten te zonnen. Tam en nieuwsgierig draaien ze zich half om en kijken hem rustig aan. Hij heeft zich in den zetel neergelaten naast z'n volbeladen schrijftafel. Weerzinnig en weifelend rolt hij het keizerlijk charter open.

„Dus — weggegeven zijn we! Graafschap en abdjj weggegeven aan Utrecht. Weggegeven aan Willem van Gelder dit vrijgevochten land! Weggegeven onze gezegende abdij van Egmond, die zoo fier was op haar zelfstandigheid! Wij, die, dank de voorzorg van onze kloostervoogden, enkel den Paus als opperheer in het tijdelijke en het geestelijke behoeven te erkennen — toch weggegeven door den Keizer! Wij, zoomaar weggegeven, wij allen die hier samen wonen en leven, de abdij tegelijk met den abt en de broeders, het graafschap tegelijk met den graaf, mijn armen kleinen Dirk!...."