is toegevoegd aan je favorieten.

Dokter Heldring's groote conflict

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De daarop volgende jaren bracht Bernard door in een goed verzorgd en gerieflijk huis. De tantes hadden dit voor hem uitgezocht, daar er een kleine jongen van zijn leeftijd ook als kostkind was, vanwien ze gehoord hadden, dat hij uitmuntte in netheid en welgemanierdheid. Een half jaar na Bernards verschijnen daar werd het kind teruggezonden naar Indië, en was hij weer alleen met mevrouw en den grooten zoon, die student was. Maar omdat hij daar nu eenmaal gewend was, en er goed verzorgd uitzag, werd er besloten hem er verder maar te laten.

Met dezen zoon, den student, had Bernard een groote vriendschap gesloten. Als hij met z'n schooltasch aan de hand de trap opkwam, was het eerste wat hij zag, George's vroolijke donkere krullekop, die om de kamerdeur kwam kijken.

„Hallo, kleine larf, kom maar bij mij op de kast; de patrones maakt haar middagbezoeken, dus zullen wij mannen het mekaar maar gezellig maken; daarboven op je duiventil is 't ook niks gedaan in je eentje," zei hij, terwijl hij met studentikooze handigheid thee schonk.

Terwille van deze vriendschap, beschermend als van groote broer met klein broertje, werd hij door mevrouw als hoorend tot haar gezin behandeld. In z'n zorgelooze begrensdheid van het kind, dat nog niet over z'n horizon heenziet en zich verbeeldt, dat de dag van heden geen einde neemt, kon hij zich niet anders meer dan dit leven bij deze twee menschen voorstellen. Maar op een avond, dat hij in de donkere eetkamer binnenkwam om z'n schooltasch te halen, die hij daar vergeten had, hoorde hij door de half open porte-brisee, mevrouw in de salon tegen George zeggen:

„Voor je plezier doe je dat toch nooit, een kind in huis ... en als het nu toch niet meer noodig is als jij afgestudeerd bent..."