is toegevoegd aan je favorieten.

Dokter Heldring's groote conflict

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dan George's stem:

,,'t Is toch zoo'n aardig kereltje; hou 'm toch, moeder ... doe het dan om mij plezier te doen ... waar moet Zoo'n kind nu weer heen ..."

Midden in de kamer stond Bernard doodstil; z'n hart klopte hoorbaar. Toen hoorde hij mevrouw driftig uitvallen:

„Maak het me niet lastig; ik heb meelij met 't kind maar ik hou 'm niet; ik wil eindelijk wel eens vrij zijn. Als je afgestudeerd bent, doe ik hem weg."

Als een geslagen hond sloop Bernard de kamer uit. In zijn slaapkamertje kroop hij onder de dekens. Uren lang hamerde het hem nog door het hoofd: doe ik hem wèg; doe ik hem wèg. Het was de ergste smaad, die hem ooit aangedaan was.

Maar nog voor den dag van z'n vertrek daar aanbrak, verscheen z'n vader, die, daar hij geen lust had z'n verlof in de kleine provincieplaats door te brengen, hem meenam naar den Haag. Nu was hij, behalve z'n groote vriend, ook oom Heldring kwijt. Daarvoor in de plaats had hij een vader, van wien hij zich niet veel meer herinnerde dan een gevoel van angst, dat op de een of andere manier met hem verbonden was. Maar deze bleek nu veel toegeeflijker geworden te zijn voor z'n zoon. Hij was trotsch op hem, omdat hij hem zoo'n echte hollandsche jongen

geworden vond.

„Je herinnert je zeker niets meer van Indië, hé?" vroeg

hij hem eens.

De oogen van het kind gingen wijd open.

„Ik weet nog alles: ik zie het nog precies voor me," en hij wist tot z'n vaders verwondering nog ieder detail van huis en landschap te beschrijven.

„Als ik groot ben wil ik naar Indië terug," verklaarde hij met stelligheid.