is toegevoegd aan je favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alfred haar edelmoedig te hulp kwam. Nooit heeft zij steun gehad; opgevoed zonder strenge principes, zonder een vast geloof. Eenmaal gevallen, hangt zij in 't luchtledig. Maar is dat niet onmenschelijk een kind zoo alleen te laten! Wat hebben haar ouders ooit gedaan om haar innerlijk te begrijpen? Wat wisten zij van haar begeertes, haar zwakheden, haar strijd?... En Alfred, wat begrijpt hij van haar? Wat doet hij om haar eenzaamheid milder en draaglijker te maken? Is er dan niemand, niemand...?

...De trein houdt in Haarlem op. Een heer komt tegenover haar te zitten. Zij kijkt even, vluchtig, zijn kant uit. Hij is van middelbaren leeftijd, met een diep gegroefd, donker gezicht, waarin de ongewoon heldere oogen verrassend blauw zijn. Dan verzinkt zij weer in haar bittere gedachten.

En over twee maanden moet het verschrikkelijke gebeuren; de onbekende helsche kwelling, waarvan zij zich na de lectuur van enkele realistische beschrijvingen, een overmatig angstwekkende voorstelling maakt. Ook kan een vrouw er aan sterven... En dat zou misschien nog het beste zijn voor haar. De dood... maar hoe slecht is zij daarop voorbereid! Met verbazing voelt zij zich, ondanks alles, diep gehecht aan het leven. Visioenen trekken voorbij van reeds beleefd of slechts gedroomd genot: zij ziet zich op het tennisveld met Hugo en Miriam; de lentezon doorgloeit de ijle, zuivere lucht, haar lichaam is lenig en licht als de bal die zij voortjagen; dan loopt zij op het strand.