is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat een pomp en bij die pomp wordt het pakje neergelegd, de krant wordt eraf gedaan. Ze hebben daar een vervaarlijke bus neergelegd met een flinke lont, ze bukken met zijn allen, om achterelkaar drie vier lucifers aan te steken. Dan blazen zij het gloeiende, traag vonkje in de lont, er speiert een geringer vonkje weg. Dan, rap als ratten, op hun bloote voeten vliegen zij er van door, den dijk op, de straat uit, naar huis. Zij helpen elkaar de poort over, stijgen als apen langs een regenpijp, grijpen muurijzers en klauteren het raam weer in. Hier, in het open raam, blijven zij zitten. Zij dringen elkaar weg. Zij zien de vage vormen van boomen en huizen. Zij ruiken den geur van de nachtelijke Maas.

— Zou het lukken?

Het lukt. Een korte, donderende slag. De weergalm van een echo. De korte neertroffeling van vallend puin, een zwak ingetogen gerinkel van glas. Het is gelukt. Maar hoe zitten ze nu, wit verschoten en bevend. Nu de slag voorbij is, nu lijkt hij al harder dan hij was, en het gedaver en 't gerinkel. De jongens kijken naar de sterren, het is een nachtelijk, groot oogenblik, de angst is gauw doorstaan, en nu gloeien ze van den geweldigen trots, dat ze een prachtigen bom hebben gemaakt, die ontploft is. Maar nu de zaak ernstig is, zooals gevaarlijke menschen die bedrijven, nu moet er plechtig beloofd worden, dat ze zullen zwijgen, ze stooten daartoe