is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

polsen onder den jasmouw uit te zien. Dokter Rits zegt vriendelijk:

— Hier hebt u een gulden, hier hebt u een gulden en hier hebt u een gulden. Maar nu moet ge me niet meer lastig vallen en niet meer achter mij komen loopen, want ik ben een beetje bang.

Hij draait zich om. Hij laat het bamboezen stokje onder den arm uit in de hand glijden. Hij zwaait er vroolijk mee. En gezwind en kwiek, de voeten iets naar buiten, loopt hij weer lustig verder.

De drie staan daar, ieder met een blinkenden gulden in de hand, daar kijken ze op. De eene spuugt weer, om verachting, onverschilligheid en moed of zoo iets uit te drukken. Dan kijken de drie elkander eens aan. Een gulden is aardig. Maar wat ze in die portemonnaie lieten zitten en wat dat mannetje daar nu meedraagt, daar worden ze zeker hebzuchtig naar. Ze knippen flauwtjes zoo'n oogje van verstandhouding en zetten er den gang weer in, om dat onnoozele kereltje weer in te halen. Als zij weer vlak achter hem zijn, dan hooren zij, hoe hij zingt. Wat een ventje, hij zingt zoo'n dwaas kinderliedje en als hij de woorden niet meer weet, dan zegt hij zoomaar: pomper-de-pomp-pomp-pom. Nu voelt dokter Rits, hoe een hand hem een krachtig duwtje op den rechterschouder geeft. Hij draait zich om. Hij ziet de drie kerels weer aan, die hem aankijken, de kinnen naar voren, een trage, kauwende