is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langs de binnendijksche wegen. De weg door den diepen, grooten polder. Het paard voor zijn slee draafde met pleizier, er was een prettige kou in de reine lucht. In dien winter ging dokter van Taeke met zijn ar veel naar Mammeke toe, in haar klein huis, dit was Mammeke's laatste winter.

De kinderen van Mammeke kwamen nu een enkele keer meer thuis, wie weet waar ze altijd gestolen of gevlogen waren. Als ge ze zaagt, ze waren nog flink genoeg, dan konde ge nog niet begrijpen, hoe zoo'n vrouwke aan zoo'n flinke jongens kwam. Maar hoezeer was ze ook versleten, de syphilis liet niet veel gaaf en heel aan haar. Een van haar jongens was getrouwd in Oss, die werkte daar op een fabriek, hij had een vrouw met van die kammen in het haar, die kammen met paarlmoer erin, ze droeg het haar van voren met een pony. Een andere jongen was stoker op een bootje van de stoomvaartonderneming op Rotterdam, ze waren goed bezorgd en van goeden oppas. Mammeke schreide in haar hart van dankbaarheid, met hare oogen kon zij niet meer schreien. Ze had ook soms haar geweldigen en diepen onrust, daar was wel eens een Rotterdammer meegekomen, daar sprak haar jongen in huis zoo vrank en zoo vrij mee over den Palen Pie en over een bijl, dien hij en zijn broer bij Brammetje Peccator gestolen hadden, die bijl hadden ze later in de Wiel gegooid.