is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit waren de echte Bovenmoerdijksche moekes en juffers met hun goedige blozende gezichten, hun gezellige dikte en welvaart, hun lachen van kinderen die uit zijn.

Ik liet den hoorn zakken, de juffrouw in de gebloemde japon nam het zuurtje en plotseling vroeg ik smeekend:

„Geef mij er ook een."

Het mevrouwtje schrok, het zakje zuurtjes hield ze stijf voor zich uit.

„Wat belief? Bent u Hollander?"

Ik knikte. Er was ineens belangstelling voor mij, geen spoor aandacht meer voor de heerlijke Madeleine, die we juist passeerden en de chauffeur, die zijn gang vertraagde, keek verbaasd om.

„Waar komt u vandaan en woont u hier en . . er werden vragende blikken geworpen op het croix de guerre en op wat ik niet had.

De confidenties moesten nu komen, die waren belangrijker dan de juweliers van de Rue de la Paix en de doode steenen Corsicaan, eenzaam getild boven het moderne rumoer op zijn hooge kolom in de stille grijze lucht.

Ik loog maar wat bij elkaar, maar een juffrouw achterin gaf een verrassenden gil, zij kwam ook uit Gouda.

Zij stelde een stortvloed van vragen en ik wist van Gouda alleen, dat er kaarsen en pijpen vandaan kwamen.

De oorlogsheld kreeg het benauwd, de man die den dood in het duizendvoudige gezien en doorstaan had, zweette van angst en stotterde.

O kracht van burgerjuffrouwen, daar breekt alles tegen stuk. Maar bij een hoek, waar de wagen inhield, vloog een gedaante op de treeplank en tegen het portier op. Het was dangereux, de chauffeur stopte en schold. Een jonge kleine vrouw riep boven al het Parijsche lawaai uit en liet zich niet weerhouden: