is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keerde zich om en zag hulpzoekend naar mij, haar mond opende zich, maar kwam niet weer tot eenig geluid, zij viel zacht neer en ik bracht haar te bed. Ik heb lang aan haar bed gezeten en wachtte. De dokter kwam en de geestelijke, ik heb niet gehoord wat ze zeiden. Men bracht mij met zacht geweld naar bed.

Dat was in 1914 en kort voor dat jij trad wegbepalend in mijn leven. Had ik je mogen ontvangen? Had ik je moeten verbieden mijn huis en vooral de ongereptheid van mijn lichaam?

Het huis onteerde je niet gelijk de vreemdelingen het later deden, mijn lichaam was met jou uit zich zelve vertrouwd, mijn hart had nooit opgehouden je te roepen.

Ik wist dat jij niet terugkeeren zou, je zeide het, maar ik wist het toch al heel zeker.

Ik heb geen schande gevoeld en oneer, slechts ontferming en vervulling; het was of alles geschieden moest als het gebeurde. Zoo gaf ik uit vrijen wil, wat ik niemand meer geven zou en ik gaf het dankbaar dat ik geven mocht.

Er kwam een tijdperk van ommekeer, de waardigheid onzer vaderen, de binnenskamersche rust en beschaving, de fijnheid van denken, de kieschheid van woorden, de tact van handelen verdween. Het naakt kwam, de brutaliteit en het schorre geschreeuw. Oude families verdwenen, nieuwe flonkerden van oogverblindend kermisgoud en we lachten geamuseerd of gekrenkt en zij gingen onder in den durenden maalstroom.

De tijd is er van de groote oorlogen en van het groote Bedrog. God zal daar Zijn bedoeling mee hebben, die ons jaarlingen ontgaat, maar Paul, onze zoon, staat in dezen tijd en hoe rusten wij hem toe, hoe geven wij hem meer dan het bloote aanzijn?