is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Met Ismaïl nooit. Met de andere twee wel. Over slecht werk. Maar dat was niet van eenig belang."

„Waar is dat papiertje, waarop je hun namen geschreven hebt?"

„Dat weet ik niet. Ook mijn boekje ben ik kwijt."

„Je weet zeker, dat er werkelijk geen gegrond, tenminste gegrond voor hen, motief bestaat voor dien aanval? Geen vrouwenperkara, kortingen op loon, maloe-makerij of zoo?"

„Neen, niets van dien aard."

„Mooi. Voorloopig heb je huisarrest. Zoo gauw je weer toonbaar bent, ga je met vacantie. Als je wat noodig hebt, vraag het dan maar aan de Zonde. Adie."

Fetter liep naar de garage en wilde juist in den wagen stappen, dien hij net gebruikt had, toen hij zag, dat twee banden ervan leeg waren.

„Ben jij nu een chauffeur, Sastro?" vroeg hij den man, die bezig was met het aanbrengen van een nieuwe koppakking bij den anderen wagen. „Waarom moeten juist nu die banden leeg zijn?"

„Er zitten misschien spijkers in," was het onschuldige antwoord.

„Ja, en er zit geen lucht in ook. Zeer pienter. Motorfiets in orde?"

„Ja, ik geloof het wel."

„Zitten daar soms ook spijkers in?"

„Ik geloof het niet."

Fetter zuchtte en Sastro keek hem uit groote trouwhartige oogen verwonderd aan. Hij klapte den standaard om, reed den motor achteruit naar buiten, sloeg aan, het hem even warm loopen en reed weg. Eerst naar kantoor.

„Hamid, heb jij soms drie menschen voorbij zien komen?"

„Jawel, mijnheer. Asik, Matnoer en Ismaïl zijn hier geweest. Zij wilden een briefje hebben om naar de politie te gaan. Zij waren geslagen door mijnheer Betterman."

„Dat is het toppunt. En waar zijn zij nu?"

„Weggeloopen, denk ik. Ik had hun gezegd te wachten, tot u kwam."