is toegevoegd aan je favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan weerskanten het dichte donkere woud voorbijglijden met een eentonige eenvormigheid, waarbij alle fantasie in slaap werd gesust en praten een tarten leek van de dreigende rust.

De tent, verzadigd van water, was voor de dragers al gauw een vracht geworden, waartegen heel wat gemopperd werd en die steeds meer het tempo van het loopen vertraagde. Bovendien begon zij 's nachts te lekken, zoodat het voor al die menschen in die kleine ruimte een heel gescharrel was om een plekje te vinden, waar zij niet door vallende druppels getroffen werden.

Pas toen na een week loopen de regen ophield en een meedoogenlooze zon alle vocht in korten tijd deed verdampen, kwam de goede stemming terug. Vooral, toen Fetter besloot om gedurende dien eersten zonnedag aan de rivier te bhjven, waar zij dien nacht gekampeerd hadden. Verwoed werden dé kleeren gewasschen in het drabbige water, zoodat zij bruin opdroogden. Maar dat gaf niet. Zij waren tenminste droog en stonken niet meer. Visschen had niet het minste succes in het troebele water. Maar Djaronda wist een kidang te schieten. Dat gaf een feest, behalve voor Fetter, die beroerd werd van die gebroken fluweelige, groote bruine oogen en dat slappe ziellooze sierlijke lijf.

Den volgenden dag zakten zij uren lang op den tragen stroom de rivier af en voelden zich al gauw als gebraden in die felle hitte, die kwam uit de lucht en weerkaatst werd door het water. Toen was het, dat Fetter zich plotseling moest vasthouden aan de boorden van de prauw, omdat hem, geheel onverwacht, een duizeling overviel, die gepaard ging met koude rillingen, waartegen hij met allen wil moest vechten. Wel overwon hij de neiging om zich maar in elkaar te laten zakken, maar voor zoover hij nog fut toonde gedurende den verderen tocht, was het spel, was het een automatisch handelen, spreken, lachen en doen. Omdat er ergens in hem een verbitterde en verbeten wil was, die zijn hchaam, dat niet kon noch wilde, dwong, voortdurend en bij eiken stap dwong om te gehoorzamen en dat lichaam zoo in bedwang wist te houden, dat niemand iets bijzonders aan hem merkte.