is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TACO slaapt zwaar, er is enkel maar duisternis en niet-weten . . . Als hij wakker wordt voelt hij iets op zijn hand dat zacht en licht is: Anne-Cris haar wang. Met een frons kijkt hij er naar. Hij moet in zijn slaap zijn hand naar haar uitgestoken hebben, en misschien heeft zij in haar slaap haar wang over zijn vingers heengeschoven. Taco's frons trekt dieper door. Ineens staat hem voor oogen hoe Anne-Cris vannacht, toen ze thuiskwamen, voor de deur van de logeerkamer stil stond: schuw en van hem weggebogen naar het paneel. „Wel te rusten, Taco." En ze zag er weer uit of ze flauw zou vallen. Maar hij snauwde haar toch even goed af. „Wat is dat nou weer voor een gril? We zijn vaak genoeg als volslagen vreemden naar bed gegaan, kunnen we dat dan nou niet doen, als — als goeie bekenden?" En haar blik vroeg: „Maar Cobie?" Hij keek haar aan. En ze verstond dat kijken-vanhem ... Ze spraken door, toen ze zich uitkleedden, en ook nog toen ze in bed lagen — twee goeie bekenden . . . En als twee goeie bekenden moeten ze nu ook wakker worden. Hij trekt zacht zijn hand weg . . . En ze beweegt zich. Ze tast naar iets dat vlak bij haar gezicht was — en het is er niet meer. Ze wordt wakker, ziet zijn blik in de schemer en heft haar hoofd even op en knikt, hem toe. Haar hand wil over het dek naar hem toekruipen, dat mag die hand niet, die hand moet terugkomen en dicht bij haar blijven. Haar klein smal gezicht wordt valer: gisteren keert terug.

Taco zit half-overeind. En hij zegt wrang: „Wat heb je daar ginder dan wel allemaal voor bedonderde dingen van mij verteld, hè? Dasselaar zei: een heel zonden-