is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar op een keer als hij nog gauw wat werk afdoet op zijn kamer, verbaast Us hem nog meer. Eerst wordt er behoorlijk geklopt. Dan gaat de deur langzaam met kleine piepgeluidjes open. En Us komt binnen. Us ziet er wat verlegen uit, en ook een beetje bekommerd, maar hij wil gewoon doen -— wil vooral erg gewoon doen. En dan zuigt hij toch als een baby op zijn duim. „Wat is er?", wil Taco vragen, maar hij houdt dat in, om de een of andere reden houdt hij dat in. Zijn ze ooit eerder uit zichzelf bij hem gekomen, de jongens? Us wriemelt eerst wat aan de eene zijleuning van zijn stoel en dan aan de andere zijleuning. Hij neemt ook een glazen presse-papier op van zijn tafel en bekijkt die aan alle kanten, gluurt er door heen naar het raam, naar dingen in de kamer — naar zijn Vader's gezicht. „Hindert het erg als ik — als ik wat bij je zit, Vader?" Taco glimlacht en ergens in zijn lippen beeft het. Hij kijkt ook of het licht hem ineens te hel wordt. „Wel nee." Dat werk van hem heeft toch zoo'n haast niet, goed beschouwd. Hij legt zijn vulpen neer. En Us komt dichter bij hem. „Een fijne vulpen heb jij, hè Vader?, een dikkerd, schrijft dat lekker met zoo'n dikke?" Hij strijkt er over heen, met zijn pink. Dan kijkt hij ook aandachtig naar Taco's handen. „Wat bruin, hè?, jij bent altijd-door bruin, hè?, 's winters ook, dat staat lollig, dat vind ik lollig, dat wil ik ook . . . Hoe doe je dat?, moet je dan gedurig in de zon zitten? Kijk mijn handen nou 's gek wit zijn bij jouwe?' Hij legt zijn toch maar kleine jongensknuisten boven op Taco's hand. „Ja, zoo'n verschil", zegt Taco. En een vreemd gevoel bekruipt hem, iets van warmte en verteedering. Hij denkt: „Heb je ooit eerder zóo met