is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diep verontwaardigd. Maar meneer ziet, hoe zijn kleine vrouw driftig de monsters op een hoop in den koffer werkt. Hij weet niets van Hulshoff, heeft alleen dien naam vroeger thuis naar hij meent wel eens gehoord, hij kan niets hebben tegen Hulshoff.... En meneer Vermey weet niets anders te doen dan zijn schouders op te halen. Er zal wel toch wat zijn, denkt meneer.

„Ik zal bij de heeren m'n beklag doen over zulk optreden, mevrouw."

„Ja, doe dat," zegt Treesje. „Maar uw koffer is dicht en u kunt nu gaan. Dan kunt u meteen uw beklag gaan doen. Brutaliteit!" En nog terwijl de reiziger als een diep gekrenkt mensch, maar zinnende op eerherstel, het hoofd in den nek en loopend met stijve beenen den winkel doorkruist, wenkt ze haar man. En hij volgt haar, gedwee als een hondje, naar de slaapkamer.

„Wat was dat toch, Treesje? Ik ben zoo van je geschrokken. Zoo heb ik je nooit gezien. En waarom ben je opgestaan? Dat is toch zoo gevaarlijk."

„Zie toch," zegt ze, trillend van ingehouden kwaadheid, „kijk maar goed toe, ik kleed me weer uit. Ik ga weer op m'n rug liggen. Net of ik al dood ben. Zoo moet ik toch liggen, waar Arend? Dood moet ik, waar man? Hulshoff gaat hij ontvangen in m'n afwezigheid."

„Treesje, word eerst eens wat kalm. Ik begrijp er niets van. En dat liggen heeft toch zijn doel."

„Ik wil alles voor je doen. Alles, versta je?! Maar geen reizigers van Hulshoff over den vloer."

„Maar wat is dat dan toch met dien Hulshoff? Nu herinner ik me ineens toch ook, in Rotterdam was dat een naam, of die met pest besmet was."