is toegevoegd aan je favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breng ik Uwe Majesteit dank, dat gij mij een oogenblik kunt te woord staan. Hier vóór u staat een onderdaan, die ook moeder is. Als zoodanig buig ik mij diep voor u, die mij van Gods wege als mijn koning gezonden zijt." Wederom maakte ze een diepe buiging.

„Spreek, mevrouw," zei de koning, niet heel vast van stem, „ge kunt vrij-uit spreken, we zijn hier alleen, behalve dat kind."

„Voor mij, heer koning, zou de aanwezigheid van honderden niet hinderen. Ik spreek als in de tegenwoordigheid Gods tot Gods gezaghebber onder ons dierbaar volk. Wat ik te zeggen heb, zou een ieder mogen hooren."

„Zijn dat ijdele woorden? Of is u dat ernst?" vroeg de koning, met meer dan gewone belangstelling.

Fier rechtte de vrouw den ouden rug en zei:

„Als het Goddelijk gezag van mijn koning in mijn borst niet was samengegroeid met eiken vezel, dan zou er onder de Landswet van uw heer vader als tweede een andere naam staan dan van hem, die het Goddelijk recht der vorsten met de moedermelk heeft ingezogen uit deze borst."

De koning, die in deze moeilijke dagen, bij het saaie hofleven der laatste maanden, wel een afleidinkje noodig had, werd ondanks zichzelf meegesleept door de eigenaardige wijding, die er van die vrouw uitging. „Gaat u toch zitten, mevrouw," noodigde hij haar, „ik heb den tijd voor u. Neemt u plaats."

„Voor God, heer koning, past mij de knielende houding, voor mijn koning, mij van Gods wege gezonden, de staande: de weduwe Schuiteman gaat niet zitten." „Maar ge zijt moe; ge ziet bleek."

„Ik ben sterk, heer koning, sterk in de smart. Toen deze wangen nog blozend waren, heb ik geweigerd, er een kus op te ontvangen van uw heer vader. Hem eerbiedigde ik, achtte hem niet; u, heer koning, u eerbiedig en acht ik."

„Uw houding is vreemd, mevrouw. Me dunkt, ge komt