is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dien tusschentijd handelde de koning.

Mevrouw Schuiteman, de nu tachtigjarige weduwe, kreeg een brief door een lakei van het paleis. De koning kondigde daarin zijn bezoek op morgenmiddag twee uur aan, als de weduwe den koning kon ontvangen. Och, zulke visites maakte hij wel meer. Het was hem met die dingen acht jaar gelukt om de burgermannetjes in toom te houden.

„Zeg uw lastgever, dat ik hem op het aangegeven uur hoop te ontvangen," riep de oude vrouw, die wat doof begon te worden, den lakei toe.

Op dat uur wandelde de koning den volgenden dag, nu voorafgegaan en gevolgd door een lakei, door de Paleisstraat en kwam aan voor de gebeeldhouwde deur van het mooie patriciërs-koopmanshuis, waar de weduwe Schuiteman haar eenzaam leven sleet.

De lakei liet den klopper vallen. De koning kon wachten tot het dienstmeisje de deur open deed, net als een slagersjongen. Het meisje bezweek haast van ontsteltenis, maar de koning trad eenvoudig binnen, en op de breede deur rechts wijzend, zei hij: „Mevrouw Schuiteman is zeker hier." Het kind kon in haar verbouwereerdheid niet anders dan die deur open doen, zonder een woord te zeggen. De lakei bleef in de vestibule staan, de andere buiten voor de deur. Als het de bedoeling van den koning was, heel de bevolking te laten zien, dat hij een bezoek bracht aan die oude mevrouw, dan was de aanwezigheid van dien lakei daar buiten voor het huis meer dan voldoende.

De koning trad binnen, een magere, ietwat gebogen oude vrouw rees van de canapé op.

„Mevrouw Schuiteman, het doet mij genoegen, dat u mij kunt ontvangen. Ik hoop, dat u weer geheel hersteld is?" zei de koning, die voor het tafeltje bleef staan, waarachter de weduwe gezeten had.

„Koning van Denemarken," zei mevrouw met een harde stem, aan dooven eigen, „koning bij de gratie Gods, uw onderdane van tachtig jaar acht het zich een eer,