is toegevoegd aan je favorieten.

Wet van 9 Juni 1902 (Staatsblad no. 87) tot regeling der pensioenen van de militairen der zeemacht (Pensioenwet voor de zeemacht 1902), met enkele aanteekeningen aan de gewisselde stukken en de beraadslagingen der beide Kamers der Staten-Generaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de uitoefening van dezen dienst (1) hebben voorgedaan, — voor zoover die verwonding, verminking, ziels- of lichaamsgebreken den belanghebbende tot de verdere (2) waarneming van den militairen dienst ongeschikt maken (3);

(1) „bij de uitoefening van dezen dienst" In het ontwerp werd gelezen: „daarbij". De lieer l>e Visser wees er bij de openbare beraadslaging op dat het woord „daarbij" ook kon terugslaan op : verrichtingen of vermoeienissen. De zin is daarop door eene nadere omschrijving van hetgeen bedoeld was verduidelijkt. Verg. hieronder aant. (3).

(2) „tot de „„verdere"" waarneming van den militairen dienst ongeschikt" Is de ongeschiktheid van voorbijgaanden aard, dan zal geene afkeuring plaats mogen hebben en kan derhalve van pensionneering geen sprake zijn.

(3) Vergel. Bevorderingswet voor de zeemacht art. 28, 2». b. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad, eer de redactie van dit lid in de tweede kamer kon worden aangenomen gelijk zij nu luidt. Het lid omsohrijft de zoogenaamde gebreken „in en door den dienst" ontstaan, in tegenstelling van no. 3, de gebreken „in doch niet door den dienst".

Voor pensionneering krachtens 2°. moet er zijn een oorzakelijk verband tusschen de concreete dienstverrichtingen en de ongeschiktheid. De dienstverrichting moet zijn de oorzaak der ongeschiktheid. Is dit verband aanwijsbaar, dan bestaat een recht op pensioen