is toegevoegd aan je favorieten.

Reinaert de Vos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rugge woeg. Maar hij was vol goeden wil en bleef niet verre achter.

Reinaert stond daar gebonden te midden den kring, hij zweeg en zag zijn vijanden loopen die hem meenden te hangen.

't En is nog niet afgeloopen! meende hij en

monkelde fijn en zijn oogen bleven naar de verte waar de drie beulen al buitelend en springend, zot van welgezindheid voortliepen.

— God, wat jonkers! zijn me dat kerels! peinsde hij, laat ze maar springen en dansen; als ik 't leven heb, bij mijn ziele, zoo zullen ze hunne overdaad en schamperheid wel bekoopen! of 'k en heete geen Reinaert meer, voorwaar. Nochtans is het beter dat ze verre van hier zijn dan dichte bij, 't zijn de drie die ik t meest vreesde en nu zijn ze er van onder. Nu is 't zake om het fabeltje voor den dag te brengen dat ik van den nacht in groote angst uitgevonden en verzind heb. Want de zaken beginnen hier te spannen en nu of nooit zou ik kunnen kwalijk varen als ik mijn fijnste toeren niet spelen en kan. Maar heeft mijne list de kracht die ik ervan verwachte — 't is een fijne vondst in elk geval, en 't ware wel mogelijk den koning, hoe wijs en verstandig hij ook is, er meê te verdwazen en te verdompelen.