Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste plaats gekenschetst is, door een paroxystisch optreden van ziekteverschijnselen. Want hoe nauwkeuriger en frequenter men de lijders gadeslaat, met des te meer stelligheid dringt zich aan ons de overtuiging op, dat het karakteristieke der ziekte veeleer gelegen is in het steeds aanwezig zijn van overigens, in verschillende patienten zeer variable, afwijkingen. Het zijn deze in de vrije intervallen nooit geheel ontbrekende symptomen, die bij den epilepticus een, al of niet langzame, graadsgewijze toename ondervinden, om ten slotte te culmineeren in de een of andere vorm van ontlading of serie van ontladingen. In plaats van een quasi-rhythmisch, en wel plotseling optreden van een ziekteverschijnsel, hebben wij dus veeleer in de epilepsie te doen met een continueel defect (een disproportie in het chemisme der organen), welke continueele afwijking door grootendeels nog onbekende mechanismen, aan min of meer regelmatige ontladingen het aanzijn geeft.

De onderzoekingen, op deze hoofdvragen betrekking hebbende, kunnen (evenals de analyse der verschillende epileptische ziektevormen) ternauwernood als aangevangen geacht worden. De pathogenese, het ontstaan der ziekte is een hoofdstuk, dat nog een algeheele bewerking, op grond der nieuwe gegevens wacht.

Een tweede, nog slechts zeer weinig betreden weg, vinden wij in de phylogenetisclie geschiedenis der aandoening. Ten einde het belang van deze methode van onderzoek te kunnen afmeten, is de erkenning van de algemeenheid der ziekte, althans in vele groepen gewervelde dieren, voorop te zetten. Onze huisdieren dan zijn, evenals de primaten, zooals bekend, misschien frequenter nog dan den mensch zelve, onderhevig aan geheel gelijk-

Sluiten