Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vers» verzaden. Mits zij ons veroorloven op nog andere en betere ingrediënten te gast te gaan.» Men hoort het knetterend vuur van franc-tireurs in deze ongelikte stijl.

Evenwel, zegt Darah Moeda ook: «Terwijl de nagedachtenis van Rembrandt, wat er dan ook in diens leven en in diens werken door sommigen bedild worde, in smettelooze kleuren voor onze oogen fonkelt, heeft Bilderdijk, de groote dichter, wien de toegedachte hulde geldt, zooveel op zijn rekening, zooveel.... zooveel.... » En hij besluit zijn artikef: « Een genie, een denker, een dichter in den vollen zin des woords, maar die zijn eigen naam en faam gedeerd heeft door niet indachtig te zijn het voorschrift van Horatius: «Tu nihil invita dices faciesve Minerva», d. i. zet u nooit tot het schrijven van een gedicht tenzij de zanggodes u prame.»

Wij stellen hiertegenover de verdediging door Dr. K. H. E. de Jong, die aanvoert de uitspraak van Lessing: «Dat is onder alle naties een zeer voortreffelijk dichter, van wiens gedichten een derde deel goed is.» Hij schrijft voorts het volgende over Bilderdijk: «Wanneer ik over Bilderdijk als dichter spreek, dan ga ik niet in op een peutercritiek, die woord voor woord uitpluist en klank voor klank weegt: neen. Grammatica en woordkunst moeten dan maar op den achtergrond treden. Als stroefheid, gewrongenheid, duisterheid van stijl voor dichters een halsmisdrijf is, dan zijn Lucretius, Manilius, Wolfram van Eschenbach, Bojardo enz. enz. gevonnist. Ik neem dan de vrijheid van mijzelf uit te gaan en zeg: Bilderdijk is een groot dichter, omdat hij op mij een diepen indruk heeft gemaakt. Want ik weet, dat ik, zij het maar in geringe mate, fantasie, gevoel, intuïtie heb, en dat diegene een groot dichter is, die fantasie, gevoel, intuïtie in ruime mate bezit.» Daarop voert hij voorbeelden uit Bilderdijk's poëzie aan. (Het Vaderland, 10 en 12 Sept.) Ik geloof, dat men evenwel den klank van Bilderdijk's vers gerust mag bestudeeren, ook in bijzonderheden, gelijk ik elders in een artikel beproefde.

Men staat nu en dan geheel verstomd, als men leest, wat tegen Bilderdijk en zijn dichterschap wordt geschreven in Nederlandsche tijdschriften. Na de Bilderdijkhulde kwam De Kroniek alweder met een kritiek aan, ditmaal onderteekend door IV. van Ravesteyn Jr. Deze verklaart: « Dat Bilderdijk een « groot» man was, een genie, zelfs al deelt men dien titel slechts uit aan zeer schaarsche individuen, een genie, laat ons zeggen, om geen vergissing mogelijk te maken, als Shelley of Goethe, zijn tijdgenooten, wie heeft daar ooit aan getwijfeld, die het «oeuvre» van dezen wonderlijken oude ook maar heeft doorbladerd ?» Om dus geen vergissing mogelijk te maken, stelt de heer van Ravesteyn Bilderdijk naast

Sluiten