is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenstrijdig bleek aan zijn natuur, zijn verlangens, en de toekomst welke daarvan afhankelijk was, en zich inmiddels door kinderlijke piëteit gedreven te gevoelen, om den eenmaal ingeslagen weg niet te verlaten, — zich als koopman ongelukkig te maken, en dagelijks den kostbaarsten tijd, waarin zijn intellectueele hoedanigheden zich zoo krachtig zouden ontwikkeld hebben, zoo nutteloos te loor te zien gaan. Inderdaad beschouwde hij de jaren, die hij aan het kantoor van den senator Jenisch doorgebracht had, volkomen verloren: „Duos ferme annos apud illum negotiatorem consumpsi, quos absque ullo fructu plane perdidi."

Zijn zwaarmoedigheid ging langzamerhand over in moedeloosheid, zoo zelfs dat hij zich te ver op leeftijd gevorderd achtte om nog met vrucht de studie der oude talen te ondernemen en zich geheel aan een geleerd beroep te wijden.

Dit was evenwel het oogenblik, waarop een man op zijn weg moest treden, wiens invloed over zijn geheele volgende loopbaan moest beslissen.

Karei Lodewijk Fernow, een bekend schrijver en bibliothecaris van Hertogin Amalia van Weimar, was een vriend van Arthur's moeder, Johanna, en werd door haar geraadpleegd omtrent den toestand van haar zoon, die niet naliet geheel zijn droefheid en zijn sombere gevoelens in zijn brieven aan haar uit te drukken.

Fernow, die wellicht reeds door deze enkele brieven voorzag, welke begaafdheden er in den jeugdigen Schopenhauer sluimerden, en het hopelooze van zijn koopmanstoekomst gevoelde, bracht Johanna er toe om Arthur te bewegen, zich op de beoefening der wetenschappen toe te leggen, en steunde haar daarin ijverig door zich ook rechtstreeks met dit doel tot Schopenhauer, die toen achttien jaren telde, te wenden.

Arthur behoefde niet lang aangespoord te worden; de voorbeelden welke Fernow hem in herinnering bracht van beroemde mannen, die zich eerst op ver gevorderden leeftijd op de beoefening der talen en wetenschappen begonnen toe te leggen, verdreven spoedig bij hem alle vrees voor zijn jaren, die nog niet meer dan voltooide kinderjaren waren, en haastig een besluit nemend, zeide hij het kantoor vaarwel, verliet Hamburg en begon het gymnasium te Gotha te bezoeken.

Hier ontving hij dagelijks tweemaal privaatles van den directeur, Döring, en wel in de grondbeginselen der latijnsche taal. Met hoeveel vuur hij al zijn krachten inspande, om zich een grondige kennis dezer taal te venverven, en hoe hij hierin