is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, en niet de toekomst, noch het verleden; dezen bestaan slechts in het begrip, alleen in den samenhang der kennis, voor zoover deze het beginsel van de voldoende reden volgt.

In het verleden heeft nooit een mensch ") geleefd, en in de toekomst zal er nooit een leven; maar het tegenwoordige alleen is de vorm van alle leven, is echter ook zijn zeker bezit, dat hem nooit ontnomen kan worden. Het tegenwoordige is er altijd, met geheel zijn inhoud. Beiden staan vast zonder te wankelen, zooals de regenboog op den waterval. Want de wil is zeker van het leven, en het leven zeker van het tegenwoordige.

Wanneer wij terugdenken aan die duizenden vervlogen jaren, aan die millioenen menschen die er in geleefd hebben, vragen wij ons af: „wat waren zij ? wat is er van hen geworden?"

Wij behoeven daar tegenover slechts het verleden van ons eigen leven in ons geheugen terug te roepen en de scènes die zich daarin afgespeeld hebben, weder levendig voor onze phantasie te plaatsen om ons dan af te vragen: „wat was dit alles? wat is er van geworden?" Zooals daarmede, zoo is het ook met het leven dier millioenen.

Of zouden wij meenen, dat het verleden, omdat het door den dood bezegeld is, een nieuw bestaan verkregen heeft? Ons eigen verleden, ook de laatste dag, de dag van gisteren, is nog slechts een nietsbeteekenende droom der phantasie, en hetzelfde is het verleden van al die millioenen. Wat was er? wat is er? — De wil, waarvan het leven de spiegel is, en het wilsvrije kennen, wat hem in dien spiegel duidelijk tegenblikt. Al wie dit nog niet erkend heeft, of niet erkennen wil, moet bij de hierboven gestelde vraag naar het lot van vervlogen geslachten, ook deze nog voegen: waarom is juist hij, die deze vraag stelt, zoo gelukkig, deze kostbare, vluchtige, alleen reëele tegenwoordigheid te bezitten, terwijl die honderden menschengeslachten, ja ook de helden en wijzen dier tijden, in den nacht van het verleden verzonken, en daardoor tot niets geworden zijn, terwijl hij, zijn onbeduidend ik, werkelijk bestaat? — of korter: waarom dit nu, zijn nu, juist nu is en niet reeds lang geweest is?

Hij beschouwt, terwijl hij deze zonderlinge vraag stelt, zijn

') Schopenhauer bedoelt hier natuurlijk een mensch die in het tegenwoordige leeft, d.w. z. geen mensch heeft het leven, wat hy in het tegenwoordige leeft, in het verleden geleefd, noch zal hij het in de toekomst leven.