is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem de sombere kille Orcus, als een rustige haven. De aarde wentelt zich van den dag in den nacht; de individu sterft, maar de zon zelf brandt zonder ophouden aan een eeuwigen middag. De wil tot het leven is zeker van het leven; de vorm des levens is het tegenwoordige zonder einde, onverschillig hoe de individuen, verschijnselen van de ideën, in den tijd ontstaan en vergaan, met vluchtige droomen te vergelijken.

Hieruit blijkt ons de zelfmoord een vergeefsche en daarom dwaze handeling; wanneer wij verder voortgeschreden zijn in onze beschouwingen, zal hij zich in een nog ongunstiger licht aan ons voorstellen.

Wat wij in den dood vreezen is volstrekt niet de smart, want deels ligt deze klaarblijkelijk aan deze zijde van den dood, deels ook nemen wij onze toevlucht dikwijls van de smart tot den dood, evenals wij ook omgekeerd somtijds de ontzettendste smarten op ons nemen, om slechts den dood, hoe gemakkelijk en haastig hij overigens ook zijn zou, nog een oogenblik te ontgaan.

Wij onderscheiden dus smart en dood als twee volkomen verschillende rampen, wat wij in den dood vreezen, is in werkelijkheid den ondergang van den individu, zoolang hij zich onverholen openbaart; en daar de individu de wil tot het leven zelf in een afzonderlijke objectivatie is, deinst geheel zijn wezen voor den dood terug.

Waar het gevoel ons nu in die mate hulpeloos prijs geeft, kan echter de rede zich doen gelden en den afkeerigen indruk er van grootendeels overwinnen, doordat zij ons op een hooger standpunt plaatst, waarvan wij, in plaats van het enkelvoudige, veeleer het geheel onder de oogen te hebben.

Daarom zou een wijsgeerige kennis van het wezen der wereld, die zich uitstrekte tot op het punt, waarop wij nu in onze beschouwingen gekomen zijn, en niet verder ging, zelfs reeds op dit standpunt den afkeer voor den dood kunnen overwinnen, in dezelfde mate, als de reflexie, in den gegeven individu, macht zou hebben over het onmiddellijk gevoel.

Een mensch, die de tot dusverre voorgestelde waarheden diep in zijn gemoed ingeprent zou hebben, maar er niet tegelijkertijd, door eigen ondervinding, of door een zich verder uitstrekkend doorzicht, toe gekomen zou zijn, in alle leven een onafgebroken lijden als iets wezenlijks te beschouwen; die voorts in het leven bevrediging vond, en bij kalm overleg, zijn levensloop, zoaals hij hem tot dusverre volbracht had, van eindeloozen duur of steeds opnieuw terugkeerend wenschte,