is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de dorpsstraat een haastige stap; onduidelijke, hooge stemmen.

Maar alle geluiden lijken hem heel ver en vreemd. Na het drukke praten van straks in de kamer, zijn vader, zijn broer Thijs en Anna, over den storm, van dat een schip in nood was, en waarvan 't geluid tegen zijn hoofd gebonkt had of het moest springen, was nu een zonderlinge stilte als van afmatting om hem heen, een doezelige leegheid, waarin hij wegzakte in zalig niet-denkenhoeven, een oogenblik....

Maar de orkaan bleef huilen om het huis en hij voelde, hoe langzaam zijn gedachten toch weêr scherpten, opleefden uit dat oogenblikje doezel: Hè, wat gierde dat!

Boem, boem! dat was het luik van boven, 't Was zeker niet goed toegedaan.... Boem! nog eens. 't Leek wel de

Turksche trom van de kermis Ach, niet denken nou,

zóó blijven zitten, met z'n armen op de tafel en daar z'n hoofd op en dan zoo je wèg laten gaan op het bulderen van de zee

... .Paff!

Hij schrikte op. Daar had-je 't weêr! Ze hadden 't daar leelijk te kwaad; als de reddingsboot .. maar verduveld, niet denken dan toch, niet denken, anders kwam het weêr en dan begon dat gonzen weêr in 'm en dat gehamer

Maar de orkaan loeide voort, en hij luisterde tegen wil en dank. En van lieverlede begon hij er stemmen in te hooren, eerst fluisterende, dan schreeuwende, gillende stemmen