is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo ver mooglijk haar oogen van hem af, sinds dat zij eens gezien had hoe hij zich, een dag van veel zon, na eerst even haastig links en rechts geblikt te hebben over den weg, — tusschen de boerekool op zijn rug had laten neerzakken, plat-uit, de pet voor de oogen had getrokken en toen een blikken bierkruik uit zijn binnenjas

gehaald en gedronken, met haastige, gulzige slokken

Ze had toen even een rilling gehad, maar zich dan dadelijk opgedrongen, dat ze een mal nest was, zoo te denken; dat zyj toch óók languit in 't gras lag en dat grootva

moê zou zijn en dorst hebben heel natuurlijk. — Toch

kon zij haar grootvader sedert nooit meer in zijn tuintje zien werken zonder die rilling terug te voelen, en daarom keek ze nu altijd maar een anderen kant op.

En 't was ook sinds dien dag, dat ze een weeïg gevoel in haar keel kreeg — of er gliemerige diertjes in opkropen — als ze naar de vet- en biervlekken keek op grootvaders groezelig jasje.

Zondags, — de enkele mooie Zondagen die de na-winter hebben kon, — was er vaak wat meer bedrijvigheid om 't eenzame brugwachters-woninkje. Dan kwamen de jongens en meisjes uit Wemel met roeibootjes de vaart af, waarover 't dan schalde van brutaal-luidruchtige jongensstemmen en giegelende pret-gillen der meisjes. En daar tusschen het kreunend geklaag der ijzeren roeipennen.

Bertha bleef op zulke dagen stil in het kamertje voor 't raam en achter de gordijntjes zitten. Als die ginds, in