Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joost fronste de wenkbrauwen; even flikkerde er een kwaadaardig iets in zijn oogen.

„Niet?" vroeg hij, dringend.

„Nee, nee "

„Nou dan kom ik vanavond laat, net als de boeman

bij de stoute kindertjes!" lach-dreigde hij, als een

quasi-grap.

VII.

Eerst toen zij dien avond in bed lag kwamen Joosts laatste woorden weer in hare gedachte terug. — „Van avond" had hij gezegd; hij was er nog niet geweest; hij zou dus

nog komen. Och wat, malligheid, net-of-i dat doen zou

trachtte ze zichzelve gerust te stellen. Ze ging op haar rug liggen, de handen gestrengeld onder haar hoofd, op 't kussen. Ze zou vooreerst toch wel niet in slaap kunnen komen. Kom, nu aan wat anders trachten te denken.... hè, wat wou ze dat 't gauw zomer werd. Je voelt je dan veel prettiger, vooral hier zoo buiten. In 'n stad heb je's winters nog 's wat comedie of zoo, maar hier, zoo op

't open veld, kon het 's winters wel eens wat iesegrimmig wezen. Hu, die winter van twee jaar geleden; ze moet nog rillen als ze er aan denkt. — Lekker, zoo 's zomers buiten; ze verlangde d'r naar dat de koeien weêr op 't land kwamen. Ze was benieuwd of die rood-bonte van boer Gijbeis d'r óok weêr zijn zou. En dan zou ze Krelis vragen of ze ook weêr 's melleke mocht Joost! wat

Sluiten