Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daar, maar op vele plaatsen forsch in zware werkelijkheid.

In de Kalverstraat, op de Zondagavonden, langs de gesloten winkels bruist, schuifelt, morrelt en scharrelt, krioelt in broeiende sensualiteit de menigte van gezondagste vrouwen en mannen. Dat zijn ze uit alle straten der stad, van de Czaar Peter en den Overtoom, zoowel als uit de „Pijp" wrijven ze hunne lijven aan elkaar in wellustig gebrom, gaande naar nergens, maar gaande en gelukkig in het voortwentelen zonder doel in sinistere strooming. Die menigte, kop aan kop als een zwerm in een rotsachtigen bergpas, is het, wat onze schilder voortreffelijk heeft geopenbaard in eene zwarte teekening. Zij doet het geheel. Het is een levensmoment, typisch Amsterdamsch en zooals in geene enkele stad op Zondagavond wordt gevonden. Die kleine koppen naast elkander, zij hebben iets Odilon Redontisch: door ondeugd en kwaad verwrongen tronies komen aan in lugubere dreiging. Zoo is deze moderne realist bij uitnemendheid onbewust misschien tot eene symbolistische conceptie gekomen, zooals Zola in het omvatten der massa's tot globale visie en reusachtig symbool. De groote zeventiende eeuwers, Rembrandt en Hals, zij hebben hoofdzakelijk koppen geschilderd; het is echter iets heel moderns, dat aandurven van eene groote stad met hare straten in vloeiend leven en sprankelen van licht. Waarin de litteratoren Balzac en Zola en zooveel anderen in Frankrijk zijn geslaagd, in het weergeven van Parijs, dat hebben bij ons de

Sluiten