is toegevoegd aan uw favorieten.

Machteloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichtje van een lantaarn, dan ineens velen, plotseling met de vage sterrenspitjes, droevig twinkellichttend aan den flauwen avondhemel.

Hij stond op, toch wel met een gevoel van loomheid, van lamheid, alsof zijn leden waren gekraakt. Hij besefte, moeizaam opsloffend in zware passen van lang en loomig zitten, dat hij op die bank niet kon blijven, dat die buitenkansjes daar niet vanzelf gebracht werden. Misschien ergens anders ook niet, zei hij zich schamper, maar allci, een snuffelende hond vind allicht wat.

En nu, langs den boomenweg voortschuivend, de oogen naar den grond, omdat de weg daar 't scherpst zich nog afteekende, toch ook rondom turend, bettend de oogen die zoo moeielijk konden inkijken tegen het licht en het straatgewemel, 't gewoel dat hij van verre al voelde, al zag naderen, en waarvoor die rood-doorloopen oogen telkens terugweken, voortgaande al voet voor voet, zonk nu uit hem weg de bedriegelijke bespiegelings-stemming van zooeven, gingen verloren al die overwegingen van voor en tegen, verdween ook dat