Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles koesterend kuierde in 't witte licht der winkels. Hij liep maar aldoor, zonder eenig gevoel van aanraking of besef wat te doen. Het eenige wat hij schrijnend voelde, waren zijn moeë voeten, zijn zwaar geworden hoofd, zijn stramme leden — en dan nog de behoefte ergens in een kroeg te gaan zitten. Och ja een borrel... en sterker, feller steeg in hem op de begeerte naar dien borrel. Dat zou hem opknappen, heelemaal.

Toen-op-eens stond hij stil.

In een onverwachten schok, die 't lijf doorsidderde, die opritselde zijn scheurige jas, hield hij zich voor een oogenblik vast, de handen achterwaarts tegen een muur.

Hij was weer aangeland in de Wagenstraat, nog geen twee huizen ervan af, waar ze hem een paar uur geleden, hadden uitgejaagd. En nu vlamde in felle vlagen op al de bitterheid der dingen, die in zijn vele overwegingen zich hadden vervaagd, in die vele woorden zelf verdronken.

O, als-ie die vent hier had, wat zou-ie hem

Sluiten