is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koperen helm en pantser en rijkversierde schilden;

Het weven van zijdene stoffen,

Het verven van purpergewaden

En 't schilderen van bedrieglijke beelden,

Die het oog des menschen verstrikken

Zoodat hij bloost en rilt en gloeit van lust,

Ziende wondere dingen als in overouden spiegel;

Leerde hun versiering van het lijf

En verlokking met oogen en gebaren,

Bereiding van balsem en wierook en reukwerk;

Dans, rhythme en rijm;

En zang en zalig spel

En harpetonen;

De wondere lijnen van dier en ding,

De beduidenis der dingen door de vormen;

De harmonie der in liefde zich bindende deelen;

Kennis van metalen, geneeskruiden, sterren en talen;

't Doel, 't begrip, 't woord van 't Wezen

Buiten maat en tijd, in eeuwigheid en geest. —

Toen steunden en schreiden de menschen

En weenden want hun ziel was te zwaar van God.

God leed in den mensch;

De mensch werd hem tot leed en ziekte

En tot geklaag en tot smart,

En toorn bruiste in hem,

Een woede groot, onmeetlijk;

Hij greep Prometheus, overmande hem en zijn duivelen; Bond hem aan een zuil in der aarde gebergten;

Zijn vurige adelaar knaagde aan Prometheus,

Knaagde aan zijn lever, aan zijn onsterfelijk lijf. En zooveel de geweldige adelaar vrat,

Zooveel groeide weer aan.