is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dag werd gescheiden van Nacht;

Uit purperen voorhang trad zingend

De zon over zeeën,

Die spreidden wisselende schoonheid

In toovrende spiegeling en schijn

En licht was de lach

Van den jonggeboren Dag.

Ziet, Epimetheus stond, waar de wateren stroomden,

Aan 't strand der zee

En aarde en dieren zwegen

En hoorden de tonen zijner harp;

Ook de sterren hoorden

't Loflied, 't luide,

't Prijslied,

't Lied van het hooge verlangen;

't Welriekend gebed.

Toen zag hij de Wachters stijgen.

Want, ziet, gelijk eene vlucht,

Gelijk eene vlucht van witte vogels,

Vleugelsterk en breed en glanzend wit,

Zoo stegen de Zonnewachters,

Onwrikbaar brekend de ketens,

Rijzend boven de wateren en boven de aarde,

Vleugelstatig, een wondere hemelsche vlucht.

En de Eerste der Engelen;

Begrip, Gedachte en Woord Gods,

Straalde fel in hemelsche schoonheid;

Geheven werd hij als een brandende fakkel;

Een duif, zoo blank, overzweefde zijn hoofd,

Zijn lichte voeten hieven van de aarde;

Wijd spreidde hij beide de armen

En steeg met de Wachters, Geesten des vuurs,