is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Toen hief Heer Lucifer zijn stem en riep: Op Broeders en op gij al mijn zonen, gij duistren met één gouden vonk; hoort, en doet naar mijn bevelen.

24. Hier sticht ik Esthakar mijn rijk, ik ben de God, ik maak de wetten, mij is de prijs en mij de wrake.

25. Verneem nu hier mijn naam: Ouraios zult gij mij nu noemen, mijn Broeders, hoog en heilig, zult gij heeten: Eloi, Astaphaios en Sabaoth, Jao, Jaldabaoth en Adonaï. Gaat heen en doe wat z'u bevelen.

26. Want gij zult bouwen voor deze mijne hooge Vrouw Ennoia, het grootsche rijk van Esthakar, een lusthof haar ter eer.

27. Toen suisden allen heen en dra begon het heftig werken; het smeden, haamren, kneden, kloppen; de bijlen hieuwen, de ovens gloeiden, de vonken sproeiden, de balgen bliezen; nu werd naar voor' gebracht in 't rossig licht der vuren de groote Ploeg der Eeuwigheid.

28. Veel honderden daemonen sleurden voort het monster-werktuig en diepe voren werden opgereten in den modderbodem zwadder-zwart. Met geeseling en zweeping en 't zwiepen van de zweep langs de duister neergebukte ruggen joeg Jaldabaoth hen voort tot gansch 't onmeetlijk rijk geopend lag.

29. Toen rees Ouraios op met al de Broeders en oogstten al de vuurge appels van den Boom; de armen rijkgevuld, doorliepen zij met reuz'ge schreden en met een luiden lach de opgescheurde velden en met een ruw gebaar diep in de wijde wonden wierpen zij de zonnen, ze zaaiend tot een eeuwig zaad.

30. En weldra rijpte 't duivelsch koren, in gloeiende velden laaide gansch de Nacht en bleeke Jao en zijn zwarte maaiers met zilvren manesikkels sneden 't