is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Gouden Ei dat in Uw Hart, daemonen, weerom God moet baren. Zoo schep ik in mijn Esthakar een

eeuwig Kareol.

8. En nu, jij andere daemonen, sluit nu de poorten van de zon, ik wil in weelde zalig wachten hoe Schoonheid opbloeit in mijn Rijk.

9. Toen dreven de daemonen de immense deuren dicht en schriklijk was 't gillen der scharnieren.

10. Bleek en duister als gouden nevelvlek in zwarte nachten gloeide 't kluwen der daemonen waar in 't midden op 't dek van Argo, aan den voet van hoogen mast de Heiige Koning sliep met zijne helden.

11. Al woester werd d'omarming der daemonen, al geiler drukten zij zich om de gouden Kern tot plots reusachtige vlammen alom schoten en gansch 't schip omringd werd met een zon van vloeibaar vuur.

12. Reusachtig laaiden op de vlammen, het leek een tooverzee van onafzienbren golvenbrand, die overhuifden wolken schittrend meer dan zonnen; aan heete dampen van metaal ontspoten reuzenzuilen, ver omhoog.

13. Of ook wel barstten los ontploffingen van brandend gas, dat zich tot roode nevelen vervaagde en neersloeg als een regen van wit vuur in eindeloozen oceaan van vlammen; want immer woester wreven zich de laaiende daemonen.

14. Een dichte dampkring zwaar en folterend omringde heel den vuurklomp met zijn wervelwinden, toen in een spasma van verrukkelijke eeuwen, de duivlen dondrend vielen in elkaar dat al hun licht verdoofde en langzaam nu het kluwen stolde tot een bol.

15. Want om hen heen rees immer nog de doodsche kou der zwarte hemelen en duistre Nacht verwon het