is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lag de weidsche oceaan geborgen onder vaal en grauw van duistre luchten;

22. toen werd bereid in stille uren aan de kalmre polen, 't eerste jonge Leven; Gevóel kreeg nu de stof.

23. En zie, bij 't wijflend licht van colossale nevelzon, verrees uit 't zilte water nu het zalig schip; en droomend nog en slapend half ging 't verder langs den Weg der Liefde met Jazion en al de Argonauten.

24. En in de diepten van de zeeën deelde zich 't lillend Leven in vreemde wezens nog half dier, half plant, die immer zich weer hooger vormden, zich samenvoegden tot weer edler wezens, dat d'Oceaan van levensweelde rilde in al zijn donkle regioenen.

25. Verrezen niet als met een tooverspreuk uit al de grondelooze oorden de vreemdste week- en schelpedieren, ster en egel van de zee, koraalpoliep en zeepalm, tongschelp en d'onnoemelijke volkren van bewegelijke trilobieten, klein of reuzig groot, die in de eindelooze deining voedsel zochten bij 't licht der eerste oogen?

26. En schudde niet een iedre golf een rijken schat van oesters en van mossels over loome stille stranden en klommen niet de wieren uit de zee en rezen op de aarde, waar menigmaal bestroomd zij werd; en groeiden zij niet op onder immer heete vochte luchten, tot mossen, varens, calamieten?

27. De sombere natuur nog zweeg, doch als een heete adem zwoegde 't lustenvolle Leven langs den weg der Argonauten; in Liefde steeg het Leven barend hooger op te midden van een grenzenlooze stilte.

28. Zoo was de Aarde opgerezen uit schuimende oceanen en Gaia zat in tranen aan de stranden; toen