Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nöch te verwachten dat zij zich aan elkanders gezag zullen onderwerpen, noch dat zij zullen voeren tot dezelfde slotsommen. Niet ten onrechte zeide daarom Schopenhauer: *) „Keiner der religiös ist, gelangt zur I Philosophie, er braucht sie nicht; keiner der wirklich 1 philosophirt, ist religiös: er geht ohne Gangelband, 1 gefilhrlich aber frei." En elders, in een gesprek met ' Frauenstadt, drukte diezelfde wijsgeer diezelfde gedachte uit in de woorden: „Theologie en philosophie zijn als twee weegschalen: hoe meer de eene zinkt, des te meer stijgt de andere. Hoe grooter het ongeloof wordt, des te sterker ontwaakt de behoefte aan wijsbegeerte."

Inderdaad, de godsdienstige geloofsverzekerdheid is iets gansch anders dan een wetenschappelijke overtuiging. De waarheid van het godsdienstig geloof is evenmin wetenschappelijk te bewijzen als wetenschappelijk te weerleggen. De godsdienstige voorstellingen zijn als vrucht van dichterlijke verbeelding evenmin vatbaar voor een critiek als voor een verdediging door de wetenschap, maar zijn als vertolkingen van 's menschen gemoedsleven te aanvaarden en te waardeeren. 2) Waar de wetenschap niet bij machte is de gemoedsbehoeften van den mensch volkomen te bevredigen, noch in staat de wereld der verschijnselen volledig te verklaren, blijft voor den godsdienst een belangrijke plaats over in het geestesleven. Maar

') Frauenstadt. A. Schopenhauer; von ihm, über ihn, pag. 239.

2) Vgl. I. J. de 13ussy. Over de waarde en den inhoud van godsdienstige voorstellingen. Amst. 1880. pag. 25.

Sluiten