Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat er geen bezwaar tegen de overlegging van een door een bevoegd ambtenaar gemaakt, vergeleken afschrift of uittreksel daarvan. (Circ. 878.)

Is de volmacht reeds gehecht aan — of overgelegd bij eene andere memorie van aangifte, aan hetzelfde kantoor ingediend, dan wordt hare overlegging niet opnieuw gevorderd. (P. W. 1846 n°. 179 en 180.)

De onderhandsche volmacht moet volgens het Bestuur op grond van art. 23 der wet van 22 Frimaire VII, worden geregistreerd vóórdat zij met de aangifte ten kantore van het recht van successie kan worden ingediend. (Circ. 878.)

Eene aangifte gedaan door iemand, die zich voor een ander sterk maakt of voor hem instaat, kan dus niet worden aangenomen, (de Wilde § 600.)

c. II aar moet de aangifte geschieden?

18. Ten kantore van het recht van successie, binnen welks kring de overledene zijne laatste woonplaats had.

(Zie voor de aangiften, bedoeld in al. 1 n°. 2 en al. 2 van art. 15, zoomede die van art. 59 der successiewet en die der artt. 5 en 14 van de wet van 1897, de daarvoor in die bepalingen aangewezen kantoren.)

Waar iemand zijn woonplaats of domicilie heeft is eene vraag waarop het burgerlijk recht het antwoord moet geven. \ olgens art. 74 B.W. heeft ieder zijn domicilie, daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft en bij gebreke hiervan op de plaats van zijn werkelijk verblijf. Het wonen op eene bepaalde plaats met den wil om daar te blijven, vormt het domicilie, blijkens art. 75 B.W. (Verg. Opzoomer I, 134; Land I, 50, Circ. n°. 878.)

Eenige door de Wilde in § 98 env. aangehaalde rechterlijke en administratieve beslissingen, voor de toepassing der successiewet genomen, vinden hier eene plaats.

Om als domicilie te kunnen gelden, moet het verblijf niet van voorbijgaanden, tijdelijken aard zijn;

Sluiten