is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgaande hoofdstuk het geestelijke zinnelijk noemden, noemen wij hier het wezen een verschijnsel, en zullen in het verloop nader aantoonen, hoe ieder zijn een schijn, hoe iedere schijn een meer of minder wezenlijk zijn is.

Wij hebben gezien, het denkvermogen heeft tot werken, om werkelijk te zijn, een voorwerp, stof, materiaal noodig. De werking van het denkvermogen verschijnt in de wetenschap, onverschillig of wij het woord wetenschap slechts in de nauwe klassieke of in de breede beteekenis nemen, waar zonder uitzondering ieder weten een wetenschap is. Het algemeene voorwerp of stof der wetenschap is de zinnelijke verschijning. De zinnelijke verschijning is, zooals bekend is, een onbegrensde stofwisseling. Uit in de ruimte naast elkaar bestaande en uit tijdelijk elkaar opvolgende veranderingen der stof bestaat de wereld en alles wat daarin is. Zij, de zinnelijkheid of het heelal, is op iedere plaats en ten allen tijde eigenaardig, nieuw, nog nooit geiveest. Zij ontstaat en vergaat, vergaat en ontstaat onder onze handen. Niets blijft zich gelijk, bestendig is slechts de eeuwige wisseling, en ook de wisseling is verschillend. Ieder gedeelte van den tijd en van de ruimte brengt nieuwe wisselingen. De materialist weliswaar houdt de bestendigheid, eeuwigheid, onvergankelijkheid van de stof staande. Hij leert ons, dat er nog nooit een greintje van de stof der wereld verloren gegaan is, dat eeuwig slechts de materie haar vormen verandert, haar eigenlijk zelf .echter onverstoorbaar boven iedere vergankelijkheid voortduurt. En toch, niettegenstaande dit onderscheid tusschen de stof zelf en haar vergankelijken vorm is aan den anderen kant de materialist meer dan ieder ander er toe geneigd, op de identiteit van vorm en stof den klemtoon te leggen. Wanneer hij met ironie over stoffen zonder vorm en vormen zonder stof, naderhand echter over ver gankelijke vormen van de eeuwige materie spreekt, dan is het duidelijk, dat het materialisme evenmin als het idealisme over de verhouding van vorm en inhoud, verschijning en wezen, een ver klaring te geven weet. Waar vinden wij die eeuwige, onvergankelijke, dus vormlooze slof? In de zinnelijke werkelijkheid komen wij steeds slechts gevormde vergankelijke stoffen tegen. Stof is er wel is waar overal. Waar iets vergaat, ontstaat iets. Maar nergens is die een zelvige, aan zich zelf gelijke, den vorm overlevende materie prak tisch ontdekt. Ook het chemisch niet te ontbinden element is in zijn zinlijke werkelijkheid slechts een relatieve eenheid, in het algemeen echter, in de lengte van den tijd, als in de breedte der uitgebreidheid, verschillend, naast en na elkander zoo verschillend, als het een of ander organisch individu, dat immers ook slechts van