is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belangen verder, dan de abstrakte uitdrukking voor ons zijn, bestaan en ontwikkeling? Zijn dan de laatsten niet de konkrete inhoud van de materieele belangen? Heet het niet uitdrukkelijk, dat inzicht in de wonderen van de schepping de genoemde materieele belangen bevordert? Of bevordert niet omgekeerd de bevordering van onze materieele belangen, inzicht in de wonderen van de schepping? Hoe onderscheiden zich nu ten slotte de materieele belangen van het geestelijke inzicht?

Het hoogere, geestelijke, ideëele, wat Liebig, in overeenstemming met de natuurwetenschappelijke wereld, tegenover de materieele belangen zet, is slechts een bijzondere soort van deze belangen, geestelijk inzicht en materieel belang onderscheidt zich, als b. v. cirkel en vierkant, beide zijn tegenstellingen en toch slechts verschillende klassen van de meer algemeene vorm. Men is vooral sedert den christelijken tijd er aan gewoon, om van materieele. zinnelijke, vleeschelijke dingen, die door roest en motten verteerd worden, met verachting te spreken. Nu gaat men konservatief op het oude spoor verder, ofschoon die antipathie tegen de zinnelijkheid reeds lang uit hart en daad verdwenen is. De christelijke tegenstelling van geest en vleesch is in de eeuw van de natuurwetenschap praktisch overwonnen. De theoretische oplossing ontbreekt, de bemiddeling, het bewijs, dat het geestelijke zinnelijk en het zinnelijke geestelijk is, om de materieele belangen van den slechten naam te bevrijden.

De moderne wetenschap is in het algemeen «rt/«/<rwetenschap. Slechts in zoover een wetenschap natuurwetenschap is, wordt zij in het algemeen wetenschap genoemd, d. w. z., sl'echts het denken, dat het werkelijke, zinnelijke, natuurlijke tot bewust voorwerp heeft, heet weten. Onmogelijk kunnen daarom de vertegenwoordigers en vereerders der wetenschap vijandig gezind zijn tegen de natuur of materie. Inderdaad, zij zijn het niet. Dat evenwel deze natuur, deze zinnelijkheid, de materie of de stof niet genoeg is, bewijst anderzijds het bloot bestaan van de wetenschap. De wetenschap of het denken, die de materieele praktijk of het zijn tot voorwerpen hebben, willen die niet in zijn integriteit, willen niet zijn zinnelijke, stoffelijke natuur, die is reeds elders gegeven. Wanneer de wetenschap dat, wanneer zij niets nieuws wilde, zou zij overbodig zijn. Slechts daardoor, dat zij bij de stof, bij de materie, een nieuw element brengt, verkrijgt zij een bijzondere waarde. Deze wetenschap gaat het niet om het materiaal, maar om de kennis, maar om de kennis van het materiaal, om het algemeene van de materie, om het ware, universeele, „om de rustende pool in der verschijnselen