Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen der dingen, onze tegenwoordige wetenschap weinig vraagt, al zijn nu ook de behoeften van den tegenwoordigen tijd over de spekulatie machtig geworden, dan is toch deze praktische beslechting niet toereikend tot de oplossing van haar konsekwenties. Zoolang het niet als een theoretische wet begrepen wordt, dat het verstand in iedere praktijk een zinnelijk gegeven objekt noodig heeft, zal men het objektlooze denken, deze slechte gewoonte van de spekulatieve filosofie, die kennis zonder paring met een zinnelijk objekt voortbrengen wil, nooit kunnen laten. Onze natuuronderzoekers toonen ons dat zeer duidelijk, zoodra zij van hun tastbare tot abstrakte voorwerpen komen. De strijd in de vragen der levenswijsheid, der zedelijkheid, de strijd over het wijze, goede, rechte, slechte toont, dat men hier aan de grens der wetenschappelijke eenparig heid aangekomen is. De meest exakte navorschers verlaten in het sociale leven dagelijks hunne induktieve methode en verdwalen in de filosofische spekulatie. Kvenals in de fysika aan onzinnelijke fysische waarheden, aan „dingen op zich zelf", zoo gelooft men hier aan het verstandige, wijze, rechte, slechte „op zich zelf", aan absolute levensverhoudingen, d. w. z. aan onbedongen voorwaarden. 1 lier geldt het het verkregen resultaat, de kritiek van het reine verstand aan te wenden.

Doordat wij het bewustzijn, het ziin van het weten, de geestelijke werkzaamheid (volgens haar algemeenen vorm) als ontwikkeling van het algemeene uit het bijzondere erkend hebben, is het omschrijving, wanneer wij zeggen : het verstand ontwikkelt zijn kennis uit tegenstellingen. Onder gegeven verschijnselen van verschillenden omvang en verschillenden duur, het zijn aan den schijn en den schijn aan het zijn te kennen; onder behoeften van verschillende noodwendigheid, het wezenlijke, noodwendige door iets minder noodzakelijks, en omgekeerd het onwezenlijke door middel van het noodwendige te onderscheiden; te midden van verschillende grootheden het groote aan het kleine en het kleine aan het groote, kortom, de tegenstellingen der wereld aan elkaar te meten, door uiteenzetting te vereenigen, is het wezen van den geest. Het spraakgebruik noemt instinktmatig kennen ook meten. Voor meten heeft men een gegeven maatstaf noodig. Evenmin als wij objekten kunnen kennen, die „op zich zelf" groot of klein, hard of zacht, helder of troebel zijn, even zoo waar als deze praedikaten verhoudingen beteekenen, even noodig als zij een maatstaf vooronderstellen, op grond waarvan de bepaling plaats heeft, even noodig is voor het verstand een maatstaf tot opsporing van het verstandige.

Wanneer wij daden, inrichtingen, begrippen, beginselen van andere tijden, volken of persoHen onverstandig vinden, komt dat eenvoudig

Sluiten