Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„in jus concepta is die van den jurist, die der acto in „factum kan ieder leek spreken! — wèl het recht, dat „vroeg gedwongen geweest is gindsche taal te leeren!"

Helaas! deze onheilzwangere, samenvattende woorden, sleutel tot de romaniseerende rechtsbeoefening, zijn de signatuur geworden en gebleven, ook van onze roineinsche procesregeling. Aan geheel ons dagvaarding- en conclusiën-stelsel ligt vormvergoding ten grondslag. In ons proces, worden de feiten naar den achtergrond en in de schaduw geduwd, al meer en meer vervluchtigd tot zoolang zij ware schimmen, abstracties zijn geworden. Wij zijn aan de procesvormen, ingevoerd om den wille van het materieele recht, gaan otteren met zoo grooten ijver, dat liet materieele recht ontvloden is, en wij niets dan de vormen overhielden. Wij omgeven de feiten met zoo velerlei staketsels, dat wij ten langen leste er in geslaagd zijn, de daarin gelegen en daaruit voortvloeiende rechten neer- en dood te drukken. Wij houden er eene cultuur van procesregelen en procesrecht op na, die, evenals de bacterieën-cultuur, van ieder feitelijk inmengsel zich rein houdt, maar anders dan gene, bederf niet weert, doch voedt. Dit alles heet: propter vitam vivendi perdere causam, en talloos zijn de voorbeelden, waarin de vorm bloeit op het graf van het recht.

Dat één voorbeeld mijne meening stave. Niet vroeger dan nog in 1870 besliste een onzer hoogere rechtscolleges: „dat eene vordering uit rekening-courant in het Neder-

Levy, Proceworiu. 2

Sluiten