is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

In de üdc eeuw komen in liet Duitsclie rijk de steden op en daarmee begint zich eene algemeene arbeidsverdeeling te vertoonen, welke de volgende eeuwen tot eene, van de voorafgaande zeer verschillende, oeconomisclie periode maakt. Terecht heeft dan ook een der meest bekende schrijvers ') over oeconoinische geschiedenis dit tijdvak dat der „Stadtwirtschaft" genoemd. De oude toestand der „isolierte Hauswirtschaft", waarin ieder gezin — in de ruimste beteekenis genomen — in zijn eigen behoeften voorzag, verdween. De tijd ging voorbij, dat de vroonhoven en daartussclien de nog overgebleven vrije familiën naast elkaar stonden als naar buiten afgesloten oeconomische verbanden, waarvan elk voortbracht, wat liet noodig had, zonder den arbeid of de arbeidsproducten van anderen te behoeven.

Scherp is de grenslijn niet te trekken, die het nieuwe tijdperk van het voorafgaande scheidt. Reeds vroeg had sporadisch een beroepshandwerk bestaan, dat van sommige zaken meer voortbracht, dan degene, die het uitoefende, gebruiken kon en dat bestemd was om het tekort, hetwelk eigen arbeid in veler huishouding overliet, aan te vullen. Al eeuwen lang had de handel vraag en aanbod van deze zaken, van producten, welke een bijzonder klimaat vereischen en van delfstoffen, die slechts in bepaalde landstreken voorkomen, met elkander in verbinding zoeken te brengen. De handwerksman en de koopman waren evenwel nog te zeldzaam en hunne werking deed zich te weinig gevoelen, dan dat zij voor de typeering van het toenmalig oeconomisch leven in aanmerking komen.

Doch met de opkomst van de steden beginnen kooplieden en handwerkslui eene beroepsklasse te worden, platteland en stad verdeelen onder elkaar de taak der productie. Het eerste behoudt alleen de zorg voor de bebouwing van den grond, in de laatste

1) Kurl Bücher, Entstehung der Volkawirtschalt, 3c Aufl., 1900.

1