is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe snel ze ook hier hare politieke mondigheid, voornamelijk door haar financieel draagvermogen, verwierven, is voldoende bekend.

In de stad begon zich kapitaal te vormen. Terwijl het platteland voor een groot deel aan de oude vormen van het ruilverkeer vasthield en voor eigen huishouding het nog bijna geheel zonder geld bleef stellen, verving in de steden de „geldperiode" de periode van het oude „naturaalverkeer" en weldra begonnen daar zelfs opeenhoopingen van geld te ontstaan. Wel waren deze nog klein, maar toch ook al weer zoo groot, dat de weinige gelegenheden om ze rentegevend te beleggen, al spoedig te schaarsch bleken te zijn. Het canonieke verbod van den woeker werd door allerlei spitsvondigheden in de praktijk zoo verzwakt, dat de handel er steeds minder door belemmerd werd.

Maar behalve den handel vereischte ook de jonge nijverheid nieuwe inrichtingen en zonder veel inwerking van buiten heeft zich in de steden eene organisatie van het handwerk ontwikkeld, die aan de nieuwe behoeften voldeed. En zoo voortreffelijk deed zij aan de belangen van voortbrenger en kooper recht wedervaren '), dat zij in dezen tijd weer tot model bij de arbeidswetgeving van groote staten heeft kunnen dienen.

Tegen het einde der Middeleeuwen beginnen de grenzen tussclien al die kleine oeconomische gebiedjes te verflauwen. De sociale politiek, welke tot nu toe slechts waarneembaar geweest' was in de stedelijke keuren, is voortaan vervat in de landsheerlijke verordeningen. De vorsten nemen deze zorg van de steden over en pogen nu de verschillende oeconomische krachten te doen samenwerken tot de welvaart van hun territorium, zooals de steden dat vroeger voor haar klein kringetje hadden trachten te doen. Alles wordt naar een ruimer gezichtspunt georganiseerd. De vorst moet namelijk voortdurend grooter financiëele eischen aan den staat stellen; de feodale legers maken plaats voor de kostbare, maar bruikbaarder huurtroepen, een personeel van afzetbare, ontwikkelde ambtenaren vervangt de eigenmachtige, onwetende leenmannen in liet bestuur 2). De vroegere landsheerlijke fiscus met zijn verouderd domeinenbelieer is voor de nieuwe inrichting niet meer berekend, algemeene belastingen worden noodzakelijk en deze zijn slechts op te brengen door eene bevolking, wier oeconomische draagkracht grooter is, dan ze kon zijn bij de decentralisatie en verbrokkeling der „Stadtwirtschaft". Naast het staatsbelang, dat in dezen tijd met het belang van den vorst identiek geacht wordt, vragen ook de voortdurend

1) Sterk valt hierop de uadruk bij G. Schönberg: Zur wirtschaftlichen Bedeutung des Zunftwesens im M. A. (Jahrb. f. Nationalökonoinie u. btatist. IX, S. 1—72, 79-169).

2) Hierover G. von Below, Territorium und Stadt, 1900 (Historische Bibliothek herauageg. v. d. Redaktioii dei* Histor. Za), S. 287 ff.