Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de laatste plaats maak ik dat op uit het feit, dat de heer nog het recht van voorkoop (naasting) bezit, „wanneer eenich borger ott' ynwoenre van Almeloo sijn huisinge, woeninge of erfnisse bynnen Almelo verkopen will" '). Ditzelfde recht gold in Gorinchem en Leerdam 2).

En is het niet door expresse voorschriften omtrent de hofsteden, dan zijn er nog andere aanwijzingen voor het grafelijk grondbezit in de Hollandsche steden. Zoo verbindt Willem IV in 1345 voor de renten, die sommige steden voor hem verkocht hebben, de opbrengst der hofsteden niet alleen in Delft3) maar ook in Haarlem4) en Schiedam 3) En dit wordt bevestigd door de grafelijke rekeningen.

Binnen Delft heeft de graaf, behalve de bouwterreinen om het marktveld, die opbrengen 2016 6 (3 10 <j (1343 en 1344) nog andere hofsteden tot een ongeveer gelijk bedrag uitgegeven (18 <0! 8 8 3 zelfde jaren). In 1317 zijn er 31 betalers van liofstedenhuur om het marktveld, die samen 131 12 (3 6 geven. Stellen wij op grond daarvan het geheele aantal daar op + 50, dan zou men komen tot een geheel van + 100 grafelijke erven fi). Duidelijker is het in Haarlem ; daar worden op het jaar 1343—44 131 perceelen verantwoord 7). In Schiedam betalen in 1316 55 personen „hofstedehure" 8). Volgens de „Verclaringe" van de grafelijke inkomsten uit het jaar 1334 zijn er in het geheel 59 (of 58) stukken uitgegeven 9).

Deze rekeningen geven ons evenwel geen beeld meer van den oorspronkelijken toestand. De grafelijke domeinen waren reeds be-

buytenwoonder binnen geerft synde sal doen als een Poorter: Kemp, Leven der Doorl. Heeren van Arkel, 1656, I, blz. 117.

In Leerdam bestonden ook dergelijke tijnsen. Ze worden tenminste daar met dezelfde bewoordingen opgeheven als in Gorinchem: Van Mieris, IV, blz. 55, 58, (1407).

1) Zoen tusschen den heer en de stad, 146'2 : Dumbar, Analeota II, blz. 440.

De heeren beschouwden dit nog in de 18= eeuw als hun recht. Geschil daarover

in 1785 bij Racer, Almeloscho Oudheden (1785), 1. blz. 16 vlgg.

2) Kemp en Van Mieris, 1.1.

3) Van Mieris, II, blz. 691.

4) Ib. blz. 692.

5) Ib. blz. 691.

6) Hamaker, Ham. Rek. van Holl. I, blz. 35, 185. II, blz. 22, 126. De som voor de „hofstedehure" van erven niet aan het marktveld is misschien iets te hoog, ik heb n.1. den post van „hofstedehure binnen Delft ende Dijxhorn" (van 1343—44) verminderd met dien van hofstedehure binnen Dijxhorne" van 1317 en die is laag (maar 2 *66 6 (3 11 $.)

7) Ib. II, blz. 223—228. Naast den graaf waren hier de heeren van Haarlem bezitters van den bodem. Simon van Haarlem geeft in 1252 aan 10 burgers in leen : „undecim fundos jacentes infra soabinatum de Harlem, in quibus manent." Van den Hergh I, 578. Wat het woord fundi betreft vgl. ib. II, 40, § 94 in de keur van Floris den Voogd: „fundos, qui hofsteden dicuntur".

8) Hamaker I, blz. 46, 117.

9) Ib. I, blz. 211—213.

Sluiten